2004
Volume 27, Issue 2
  • ISSN: 0169-2216
  • E-ISSN: 2468-9424

Abstract

Het in kaart brengen van sociale ongelijkheid, de mechanismen die hieraan ten grondslag liggen en de strategieën die mensen gebruiken om sociale stijging te bereiken, zijn klassieke en belangrijke thema’s binnen de sociologie. Hoewel de samenhang tussen het milieu van herkomst en het behaalde opleidingsniveau van jongeren afneemt (Sociaal Cultureel Rapport, 2010) is er nog altijd een – begrijpelijke – samenhang tussen beide. Naast de relatie tussen de leerprestaties en sociale herkomst is er meer aan de hand. Ondanks dat we zien dat kinderen uit een laagopgeleid milieu opwaartse stappen maken op de onderwijsladder is het nog maar de vraag of ze vervolgens ook een vergelijkbare stijging doormaken op de arbeidsmarkt. De socioloog Bourdieu spreekt in dit verband over het belang van het hebben van de juiste ‘habitus’. Hij bedoelt hiermee het aannemen van het juiste taalgebruik, smaak en leefstijl om daadwerkelijk door te kunnen klimmen naar een ‘hogere’ klasse. Juist arbeiderskinderen hebben deze ‘habitus’ van huis uit niet meegekregen en zullen daarom veel moeite moeten doen om zich in de wereld van de ‘hogere’ klasse staande te houden. Hier gaat het bijzonder mooie boek van Mick Matthys over.Matthys is vorig jaar gepromoveerd op zijn studie naar de betekenis van de arbeidersafkomst voor de levensloop en loopbaan van academici. Hier is slechts sporadisch onderzoek naar gedaan. Het is Matthys vooral te doen om de identiteitsconstructie van mensen met een arbeidersafkomst bloot te leggen. Hij spreekt in dit verband ook over de waarde van het zogenaamde identiteitskapitaal, waarmee hij de vaardigheid van mensen bedoelt om het eigen gedrag op de juiste wijze aan te passen aan de sociale omgeving. Voor zijn onderzoek selecteerde Matthys 32 respondenten waarbij de vader een baan als handarbeider in loondienst had. Zijn data heeft hij geordend door zijn opgestelde lijst met codes voortdurend te vergelijken met de interviewfragmenten. Dit resulteert in een codeboom van vijf hoofdcodes en 78 subcodes (axiaal coderen). Vervolgens is Matthys op zoek gegaan naar de verbanden in het onderzochte (selectief coderen). Het lijkt me dat dit heel kundig is gedaan, hoewel een visualisatie van het analyseproces voor de lezer zeker behulpzaam zou zijn.De respondenten in het onderzoek hebben gekozen voor verschillende academische studierichtingen en ze variëren in de mate van succes op de arbeidsmarkt. Eén ding hebben de arbeiderskinderen echter allemaal gemeen: hun worsteling om de waarden uit het arbeidersgezin in overeenstemming te brengen met die van het nieuwe milieu waar ze deel van zijn gaan uitmaken. En een worsteling – met de eigen identiteit – is het. Ondanks dat de meeste respondenten het in het onderwijs en in hun loopbaan ver brengen, bewegen ze zich als het ware voortdurend tussen twee werelden. Dit zie je bijvoorbeeld terug als de respondenten een keuze maken voor een bepaalde studie (‘hoe ga ik ze dat thuis vertellen?’), maar ook tijdens de studie (ze moeten bijvoorbeeld maar niets hebben van het studentencorps) en later tijdens de loopbaan. Studeren en werken is voor de arbeiderskinderen een bijzonder ernstige zaak. Ze werken hard om vooruit te komen. Juist omdat ze van huis uit weten ‘dat het allemaal niet vanzelf komt’ en ze goed beseffen wat armoede kan betekenen, richten ze zich volledig op het zo goed mogelijk verrichten van hun werk, om zo een bepaald niveau van bestaanszekerheid te creëren. Werkkracht en doorzettingsvermogen zijn misschien wel de belangrijkste kenmerken van het identiteitskapitaal van mensen met een arbeidersafkomst. Daarnaast is het streven naar zekerheid een centrale waarde voor veel arbeiderskinderen. Aardig is ook om te zien hoe ze een no nonsense-mentaliteit ontwikkelen, wat weer kan leiden tot diverse spanningen met leidinggevenden. De respondenten draaien liever ‘niet om de brij heen’ en ze hebben ook minder gevoel voor het belang van sociaal netwerken, borrels en recepties. Uit alle interviewfragmenten komt voortdurend het sociale verschil naar boven tussen de ‘lagere’ en ‘hogere’ klasse. Vooral via veel doorzettingsvermogen hebben de meeste respondenten het op de arbeidsmarkt uiteindelijk toch gered.Wat mij betreft is er maar één belangrijk kritiekpunt op dit interessante werk te ontdekken. Matthys gebruikt als theoretische kapstok met name het uitgangspunt van een – binnen een sociale context – autonoom handelend subject. We hebben het in de sociologie dan over de notie van ‘agency’. Ik denk dat niemand het met de auteur oneens zal zijn dat individuen medevormgevers zijn van de sociale werkelijkheid. En ook niemand zal betwisten dat de sociale context ertoe doet. In de kern is dit wat de studie laat zien (arbeiderskinderen die – met vallen en opstaan – toch integreren in een nieuwe werk- en leefwereld) en daarmee mis ik toch een beetje de verbeterde wetenschappelijke inzichten. Hierop aansluitend was het mijns inziens ook aardig geweest om op zoek te gaan naar typologieën, bijvoorbeeld door in te zoomen op de verschillen in de mate van succes in de loopbaan. Samen met het eerdergenoemde visualiseren van het analyseproces zorgt het aanbrengen van dergelijke typen in de data voor een sneller inzicht voor de lezer. Waar ik eigenlijk ook wel nieuwsgierig naar ben is de taakopdracht die Matthys mee wil geven aan personeelsmanagers. Het ontwikkelen van trainingen gericht op leidinggeven, sociaal netwerken en coaching ligt op het eerste gezicht voor de hand, maar die lijken me bijzonder moeilijk verenigbaar met de ‘natuurlijke’ afkeer van veel arbeiderskinderen voor autoritair gedrag.

Loading

Article metrics loading...

/content/journals/10.5117/2011.027.002.234
2011-06-01
2021-10-21
Loading full text...

Full text loading...

http://instance.metastore.ingenta.com/content/journals/10.5117/2011.027.002.234
Loading
This is a required field
Please enter a valid email address
Approval was a Success
Invalid data
An Error Occurred
Approval was partially successful, following selected items could not be processed due to error