2004
Volume 27, Issue 3
  • ISSN: 0169-2216
  • E-ISSN: 2468-9424

Abstract

De zelfstandige zonder personeel, kortweg zzp’er, heeft de laatste tijd niet over belangstelling te klagen. Kranten staan vol met nu eens jubelende, dan weer deprimerende verhalen over de lotgevallen van de nieuwe ‘nomaden’ op de arbeidsmarkt. Volgens sommigen zijn zij de wegbereiders van de arbeidsmarkt van de toekomst, waarin de vaste baan in loondienst heeft afgedaan en iedereen een kleine ondernemer is geworden. Anderen zien hen daarentegen als de slachtoffers van een doorgeschoten flexibilisering, als de nieuwe dagloners die alle rechten en zekerheden missen waarvoor de vakbeweging de afgelopen honderd jaar heeft gestreden. Vooralsnog lijken de optimistische geluiden te overheersen en wordt de groei van het aantal zzp’ers door velen toegejuicht. Zo stimuleert de Europese Unie het zelfstandig ondernemerschap in het kader van de bevordering van de economische groei en de verlaging van de sociale zekerheidskosten. Voor opiniemakers is de zzp’er dé uitingsvorm van het sociaal-culturele individualiseringsproces, waarbij volop aandacht bestaat voor de kansen van het zelfstandig ondernemerschap. De arbeidsmarkt is in deze visie volop in beweging, en zal in de toekomst blijven bewegen. Er zijn zelfs al auteurs die spreken over ‘de zzp-economie’, terwijl anderen de zzp’ers beschouwen als degenen die ‘het nieuwe werken’ al in praktijk brengen. Er lijkt een nieuwe tijd te zijn aangebroken in het arbeidsbestel.Maar gaat het hier nu om een wensbeeld of om een reële inschatting van de positie en de rol van zzp’ers op de arbeidsmarkt? Wat weten we nu eigenlijk van de groep zzp’ers? De SER (2010) lijkt met de titel van zijn rapport Zzp-ers in beeld te suggereren dat we inmiddels voldoende zicht op het verschijnsel hebben. Veel bijdragen aan dit themanummer van TvA over zzp’ers benadrukken echter hoeveel we nog niet weten.Dat begint al met de vraag hoe de zzp’er moet worden gedefinieerd (zie bijvoorbeeld de bijdragen van Dekker en Kösters, en Van den Berg en Mevissen aan dit nummer). Er zijn inmiddels haast net zoveel definities als rapporten over de zzp’er in omloop. Dat de SER recent een voorstel heeft gedaan voor een meer eenduidige definiëring van het begrip zzp’er is op zichzelf dan ook winst. Maar toch worden er tot op dit moment verschillende definities gehanteerd en dus ook verschillende cijfers over de omvang en de samenstelling van de groep zzp’ers gegeven (Bosch en Van Vuuren, 2010).Dekker en Kösters analyseren in dit nummer op basis van de definitie van het CBS de omvang en ontwikkeling van het zzp-schap en concluderen dat het verschijnsel zeker geen ‘mythologische’ proporties zal aannemen.Het blijft echter mogelijk dat verschillende onderzoekers tot verschillende conclusies komen omdat zij het niet over dezelfde groep hebben. In sommige gevallen worden zelfstandigen in de landbouw bijvoorbeeld wél, en in andere gevallen níét meegenomen in de cijfers. Een ander twistpunt betreft het grijze gebied van de schijnzelfstandigheid. Bekend is dat met name in de bouwnijverheid zogenaamde ‘verkapte werknemers’ actief zijn. Het gaat dan om werknemers die door hun voormalige werkgever worden ingehuurd als zzp’er. Dergelijke praktijken zijn moeilijk te rijmen met het beeld van een ‘nieuwe zzp-economie’ die aan iedereen kansen biedt (zie de bijdrage van Cremers).Een ander thema dat in het huidige debat maar weinig aandacht krijgt, is het ontstaan van het zogenaamde ‘hybride ondernemerschap’, waarbij zzp’ers daarnaast ook een baan in loondienst hebben. Ook hierover ontbreken betrouwbare en consistente cijfers. Het is dan ook niet eenvoudig om op het verschijnsel zzp’er – of het nu gaat om de omvang, de groei of de samenstelling – grip te krijgen.Dit geldt eveneens als het om een meer kwalitatief oordeel over de zzp’ers gaat. Lijken zzp’ers het meest op ‘gewone’ werknemers, maar dan zonder vaste werkgever? Of vormen zij werkelijk een nieuwe categorie op de arbeidsmarkt, die zich kenmerkt door meer flexibiliteit, dynamiek en creativiteit? Op verschillende terreinen worden zzp’ers en werknemers in dit nummer met elkaar vergeleken, zonder dat dit overigens een eenduidige conclusie oplevert. Van Vuuren en Klein Hesselink vragen zich in hun artikel af of zzp’ers meer onzeker zijn over hun arbeidsplaats dan werknemers met een vast contract. Dit blijkt, enigszins verrassend, niet het geval te zijn. Koster en De Vries onderzoeken de rol die sociale netwerken voor zzp’ers spelen. Anders dan je zou verwachten, blijkt een netwerk niet bij te dragen aan betere economische resultaten van een zzp’er.Dosker et al. proberen een kosten-batenanalyse uit te voeren van het zelfstandig ondernemerschap. Zij concluderen dat zzp’ers positief bijdragen aan het welvaartsniveau, vooral doordat zij productiever zijn en hun opdrachtgevers extra winst opleveren. Van den Berg en Mevissen zijn echter aanzienlijk kritischer over de kwaliteit van zzp’ers en zien weinig aanwijzingen dat het zzp-schap veel toegevoegde waarde heeft (zie ook de column van Van Hoof), al benadrukken ook zij hoeveel er nog niet bekend is. Cremers is het meest pessimistisch, maar richt zich dan ook vooral op de rafelrand van schijnzelfstandigen, illegalen en andere marginale groepen.Tot slot is er de vraag of er voor zzp’ers, als ‘nieuwe’ categorie tussen werknemers en werkgevers in, ook apart beleid nodig is, bijvoorbeeld op het gebied van de sociale zekerheid. Vanderstappen laat in haar column zien dat er in België al meer geregeld is voor zelfstandigen dan in Nederland, maar dat er niettemin nog een aantal tekortkomingen zijn. De SER concludeert in zijn eerder aangehaalde advies echter dat er op het terrein van sociale zekerheid geen fundamentele herziening nodig is (zie ook de column van Raats-Koster). Tegelijkertijd klinken er in de wetenschappelijke literatuur wel degelijk geluiden dat ook zzp’ers behoefte hebben aan collectieve scholingsfaciliteiten, en dat hun behoeften aan sociale zekerheid zeker niet altijd verschillen van ‘reguliere’ werknemers, zoals velen veronderstellen (Aerts, 2007; Van den Berg et al., 2009; Dekker, 2010). Niet uitgesloten is dan ook dat er in de toekomst wel degelijk speciale regelingen gaan komen voor de zzp’er. Exemplarisch is in dit verband het recht voor zelfstandig ondernemers in de EU-lidstaten op een uitkering van minimaal veertien weken voor zwangerschapsverlof.Met dit themanummer biedt TvA een overzicht van de actuele stand van zaken van het onderzoek met betrekking tot de zelfstandige zonder personeel. Dit levert een aantal interessante en soms ook verrassende, nieuwe inzichten op. Maar het roept ook weer nieuwe vragen op, die hopelijk in toekomstig onderzoek beantwoord kunnen worden. Meer kennis over zzp’ers is immers ook nodig om te kunnen beoordelen of het gewenst is bestaande regels en instituties aan te passen, zodat de zzp’er daar beter in past. Het laatste woord over de zzp’ers is voorlopig nog niet gezegd!

Loading

Article metrics loading...

/content/journals/10.5117/2011.027.003.245
2011-09-01
2022-05-25
Loading full text...

Full text loading...

http://instance.metastore.ingenta.com/content/journals/10.5117/2011.027.003.245
Loading
This is a required field
Please enter a valid email address
Approval was a Success
Invalid data
An Error Occurred
Approval was partially successful, following selected items could not be processed due to error