2004
Volume 27, Issue 4
  • ISSN: 0169-2216
  • E-ISSN: 2468-9424

Abstract

Soms denk ik: ‘Zou ik een Tea Party oprichten?’ Die zou dan eigenlijk de Aansprekerspartij moeten heten, naar het Amsterdamse Aansprekersoproer van 1696 waarbij de aansprekers, boodschappers van overlijdensberichten en begrafenisondernemers, te hoop liepen tegen de invoering van belasting op begraven. Mijn Aansprekerspartij zou zich verzetten tegen subsidies domweg omdat subsidies niet mogelijk zijn zonder belastingen. Maar je kunt je ook rechtstreeks verzetten tegen de subsidies zelf, omdat die op eigen kracht al bezwaarlijk genoeg zijn.Mijn partij zou krachtig pleiten voor het afschaffen van alle subsidies op onderwijs boven de leerplichtige leeftijd. Verplicht onderwijs zou wel gesubsidieerd (zelfs gratis) zijn, volgens dezelfde argumenten waarom je dat onderwijs verplicht stelt (externe effecten, paternalisme, verdelingsargumenten). Voor niet-verplicht onderwijs zou mijn Aansprekerspartij alleen een leenstelsel instellen: recht op een studielening tegen een bescheiden rente voor iedereen die een opleiding volgt, met strikte normen voor studievoortgang en terugbetaling met gedeeld risico, dat wil zeggen een vast percentage van het inkomen en kwijtschelding als na een bepaald aantal jaren de som niet is afgelost. Bijvoorbeeld maximaal 30 jaar 3% van het inkomen en daarna kwijtschelding van een eventueel restant.School- en collegegelden zouden volledig worden vrijgegeven. Scholen krijgen geen subsidie meer maar financieren zich volledig zelf. Universiteiten krijgen subsidie voor onderzoek maar niet voor onderwijs. Ik zie een baaierd van voordelen opdoemen.Om te beginnen zouden de lonen reageren op de kosten van de opleiding. De theorie van menselijk kapitaal voorspelt dat hogere opleidingskosten tot hogere lonen zullen leiden. In de Verenigde Staten zijn de baten van onderwijs hoger, maar dat correspondeert dan ook met hogere kosten. De nettolonen stijgen voor iedereen door daling van de inkomstenbelasting, de compensatie voor scholing is gedifferentieerd naar beroep. Sommige beroepen kunnen per saldo winnen, andere kunnen verliezen, dat hangt af van marktverhoudingen en scholingkosten.Je mag verwachten dat scholieren en studenten zorgvuldiger hun studie zullen kiezen en harder zullen werken. En doen ze dat niet, dan is dat geen enkel bezwaar: ze doen dat op eigen kosten en niet op die van de belastingbetaler. Dat spreekt de Aansprekerspartij wel aan.Er is geen enkele reden, want geen enkel voorschrift meer, dat alle studies op een bepaald niveau even duur zullen zijn. Een studie deeltjesfysica zal duurder zijn dan een studie fiscaal recht, want de dure laboratoria moeten ook worden betaald. Een docent accountancy kan meer verdienen dan een docent archeologie, simpelweg omdat haar alternatief loon op de arbeidsmarkt een stuk hoger ligt. Scholen en universiteiten kunnen hun tarieven differentiëren naar talent en ouderlijk inkomen, met het oog op een gewenste studentenpopulatie en de inkomenselasticiteit van de onderwijsvraag, precies zoals gewone bedrijven een optimale prijspolitiek zoeken op een markt met heterogene vragers.Scholen en universiteiten zullen terughoudender zijn met het aanbieden van vage gelegenheidsstudies als studenten beseffen dat ze de kosten van de opleiding wel zelf moeten terugverdienen.De nieuwe vrijheid zal niet alleen schoolbesturen uitdagen. Hetzelfde geldt voor werkgevers. Niets staat werkgevers in de weg bij het voeren van een actief wervings- en opleidingsbeleid. Ze kunnen contracten aanbieden waarbij ze opleidingskosten van werknemers voor hun rekening nemen, ze kunnen aanbieden studieschulden af te lossen, ze kunnen in overleg treden met instellingen om opleidingen op maat te ontwerpen voor beginnende werknemers en bijscholing voor gevorderden. Onderwijsinstellingen zullen daar veel meer op gespitst zijn, omdat ze niet meer gevoed worden door de verdovende subsidie stroom maar hun bestaan in een markt overeind moeten houden. Zonder de concurrentievervalsing van subsidies zullen bedrijven (of branche-organisaties) gaan nadenken over het opzetten van eigen opleidingsprogramma’s. Gecombineerde trajecten van werken en leren, zoals in de vroegere leerlingstelsels, hebben de voordelen van lage kosten, directe financiering en onmiddellijke koppeling van leerstof en beroepspraktijk; mijn partij voorspelt een herleving van zulke stelsels.Vanuit het perspectief van optimale allocatie hebben subsidies en regulering het onderwijs grondig ontwricht. Er is geen enkele goede reden waarom de overheid het niet-verplichte beroepsonderwijs zelf ter hand zou nemen. Van de overheid mag je wel verwachten dat ze kapitaalmarktimperfecties corrigeert en garandeert dat iedereen toegang heeft tot voortgezet onderwijs. Je zou ook mogen verwachten dat ze de kwaliteit bewaakt. Maar het wordt steeds duidelijker dat de overheid onbetrouwbaar is in die monitorfunctie. Misschien moeten we daarbij dan ook maar op de markt vertrouwen. Valse pretenties richten immers ook veel schade aan.

Loading

Article metrics loading...

/content/journals/10.5117/2011.027.004.414
2011-12-01
2022-05-17
Loading full text...

Full text loading...

http://instance.metastore.ingenta.com/content/journals/10.5117/2011.027.004.414
Loading
This is a required field
Please enter a valid email address
Approval was a Success
Invalid data
An Error Occurred
Approval was partially successful, following selected items could not be processed due to error