2004
Volume 28, Issue 2
  • ISSN: 0169-2216
  • E-ISSN: 2468-9424

Abstract

Het boek van de Vlaamse onderzoeker Gryp behandelt het thema flexibilisering van de arbeid en past in het soms hoogoplopende debat over het nut en ongemak van flexibel werk voor economie, arbeidsmarkt en werknemer. Er is weliswaar al behoorlijk veel empirisch materiaal voorhanden als het gaat om de gevolgen van flexibilisering voor werkgelegenheid, loon, gezondheid en carrièreperspectief, maar Gryp voegt met zijn studie daadwerkelijk iets toe aan de inmiddels omvangrijke hoeveelheid wetenschappelijke literatuur. Het vernieuwende aspect is dat de auteur niet de arbeidsmarkt of werknemer, maar het flexibele bedrijf onder de loep neemt. De aandacht gaat hierbij in het bijzonder uit naar de vraag op welke wijze bedrijven verschillende flexibiliteitsvormen combineren en de rol die arbeidsdeling hierin speelt. Een afgeleide vraag is of er tussen organisaties patronen van segmentering ontstaan.Een centraal theoretisch uitgangspunt van het boek is dat de wijze van arbeidsdeling invloed uitoefent op drie vormen van flexibele arbeid, namelijk contracten van bepaalde duur, uitzendarbeid en jobrotatie. Het wordt mij hierbij overigens niet helemaal duidelijk waarom juist deze drie vormen zijn geselecteerd. Het werk dat volgt, is opgebouwd rondom Vlaamse werkgeversdata die in twee golven zijn verzameld. De auteur geeft zelf al aan dat de bijzonder hoge non-responspercentages helaas problemen opleveren als het gaat om de representativiteit van de studie. De verdere hoofdstukken zijn empirisch van aard en behandelen grotendeels de vraag of verschillende flexibiliteitsvarianten complementair zijn of elkaar juist uitsluiten. Uit de analyses komt onder andere naar voren dat bij een toenemend aandeel vrouwen, jongeren en allochtonen binnen de arbeidsorganisatie de inzet van contractflexibiliteit toeneemt. Van duidelijke verbanden tussen de inzet van contracten van bepaalde duur en uitzendarbeid is op bedrijfsniveau geen sprake, hoewel de bevinding dat er wel een samenhang bestaat in het geval van grotere, industriële ondernemingen interessant is. Ook prikkelend is de bevinding dat de inzet van contractflexibiliteit zich niet laat verbinden met de mate van opleidingsinvesteringen van bedrijven. De tussenconclusie luidt dan ook dat van duidelijke segmentering op bedrijfsniveau geen sprake is; een externe arbeidsmarktlogica sluit de inzet van interne elementen zoals scholing niet uit. Deze conclusie wordt ondersteund door het gegeven dat de overgrote meerderheid van de organisaties zowel gebruikmaakt van contract- als functieflexibiliteit.De invloed van arbeidsdeling op de inzet van flexibel werk is halverwege het boek nog niet aan de orde geweest. Dit gebeurt in het derde deel. Gryp beargumenteert dat bedrijven beslissingen nemen over flexibel werk op basis van de vormgeving van de productie- en arbeidsorganisatie. Een bedrijf dat stroomsgewijs produceert, zal bijvoorbeeld minder snel kiezen voor contractflexibiliteit dan bedrijven die sturen via een bewerkingsgerichte structuur (homogene arbeid en directe controle). Voor de arbeidsorganisatie geldt iets vergelijkbaars: in het geval van smalle, afgebakende arbeidsplaatsen wordt eerder een afweging gemaakt richting contractflexibiliteit. Gryp laat onder meer zien dat uitzendwerk samenhangt met repetitieve uitvoerende taken, maar niet met de inzet van contracten van bepaalde duur. Eens te meer zien we hier de noodzaak om verschillende vormen van flexibel werk niet op één hoop te gooien. Ook bijzonder prikkelend is de vaststelling dat de inzet van jobrotatie eerder samenhangt met kenmerken van lean production dan met bedrijven die worden gerekend tot de moderne sociotechniek als het gaat om het productieorganisatorische kenmerk. Dit stelt impliciet vraagtekens bij de stelling dat jobrotatie wordt ingezet ter bevordering van de multi-inzetbaarheid van werknemers.De algemene strekking van het boek is dat van een duidelijke segmentatie op organisatieniveau geen sprake is, of zoals Gryp het zelf verwoordt op pagina 336: er is geen ‘regelrechte invasie van de externe arbeidsmarktlogica’. Ik kan dit na lezing van zijn bijzonder relevante werk alleen maar onderschrijven. Dat hij vervolgens spreekt over de ‘retoriek rondom precarisering van arbeid’, vind ik jammer. Deze studie toont aan dat er weliswaar op organisatieniveau geen sprake is van segmentering. Op individueel niveau wordt deze vraag hoogstwaarschijnlijk totaal anders beoordeeld. Bovendien zijn we er ook nog niet. Deze studie heeft, naast zijn cross-sectionele karakter en dus gevoeligheid voor allerlei macro-economische invloeden, geen aandacht voor de theoretisch gezien onverwachte beslissingen die bedrijven lijken te maken. Het thema ‘contingentieruimte van werkgevers’ om uiteindelijk voor een specifieke flexibiliteitsvariant te kiezen lijkt me een prachtig vertrekpunt voor toekomstig onderzoek.

Loading

Article metrics loading...

/content/journals/10.5117/2012.028.002.252
2012-06-01
2021-12-04
Loading full text...

Full text loading...

http://instance.metastore.ingenta.com/content/journals/10.5117/2012.028.002.252
Loading
This is a required field
Please enter a valid email address
Approval was a Success
Invalid data
An Error Occurred
Approval was partially successful, following selected items could not be processed due to error